Noord-Brabant neemt economische macht over
9 september 2009
Eindhovens Dagblad - De crisis verscherpt de blik op de ruimtelijke economie van Nederland. Dat stelt Friso de Zeeuw, praktijkhoogleraar gebiedsontwikkeling TU Delft. De Randstad moet de macht delen met Brabant, althans de economische.
„De Randstad is een ouderwets begrip. Het is merkwaardig dat de regering wel een Randstadvisie 2040 ontvouwt en niet kijkt naar Noord-Brabant." Friso de Zeeuw houdt er een uitgesproken mening op na. Het economische hart van Nederland is de laatste decennia opgeschoven. Met een beetje fantasie is Brabant het hart van de Randstad, zeker als je ook Vlaanderen erbij betrekt, luidt zijn boodschap.
„Moeten we niet anders naar de Randstad kijken, als we het hebben over de ruimtelijke economische ontwikkeling?", vraagt De Zeeuw zich retorisch af. „Het begrip Randstad moet je sterk relativeren. Dat begint er al mee dat je sowieso beter een noord- en een zuidvleugel kunt onderscheiden. Allebei zijn die verbonden met Brabant."
De hoogleraar pakt er een landkaart bij. „Hier hebben we de A2-as. Die loopt van Amsterdam, naar Utrecht, Den Bosch, Eindhoven, door in België. Want het houdt natuurlijk niet op bij de grens. Dat noemen we de kennis-as. Veel it-bedrijven en kennisinstellingen hebben zich daar gevestigd. Deze as wint aan betekenis. Verder naar het westen zien we een logistieke as, ook vanaf Amsterdam, via Rotterdam door West-Brabant naar Antwerpen. Met veel bedrijven in logistiek en distributie."
Beide assen hebben bestaansrecht, zet De Zeeuw uiteen. „Het is fout om te denken dat de ene de as van morgen is en de andere - logistiek - van gisteren. Kenniseconomie zonder logistiek is een romantische misvatting. Dat hoor je soms nog. Dat een haven, sle¬pen met dozen en containers, iets van gisteren zou zijn. Zo werkt het niet." Hoe heeft Brabant zo'n sterke positie verworven?
„Bedrijven strijken daar in de eerste plaats neer vanwege de ligging, de verbindingen. Ze kijken naar de locatie ten opzichte van de afnemers. Hoe zit ik ten opzichte van andere bedrijven? En de prijzen die ze moeten betalen spelen mee. Bedrijven hebben de neiging te clusteren."
Als voorbeeld noemt hij West-Brabant. Die regio profileert zich met een aantal speerpunten. De Zeeuw noemt (naast logistiek) onder meer procesindustrie, toerisme en Maintenance Valley (technisch onderhoud). „Deze zone ligt op het kruispunt van de noord-zuid-as en de Brabant-as, west-oost. Het is de kunst om op bei¬e borden te schaken, zich zowel te richten op Rotterdam en Antwerpen als op de west-oost-as."
Van oudsher vormden de grote rivieren een barrière, ook vanwege de culturele verschillen, maar die vervagen. „Beneden de rivieren was een ander gebied. Een andere mentaliteit, hoe je met elkaar omgaat. In de Randstad is men redelijk direct, tot het onbeschofte aan toe. Het scheelt wel tijd als je onmiddellijk zegt wat je ervan vindt. In het zuiden is het lastiger om te weten wat iemand er echt van vindt."
„Ze zeggen ja, maar bedoelen ze het ook? Men is door de KVP-mentaliteit, die er nog steeds heerst, wel makkelijker in het leggen van verbindingen. Het zijn netwerkers bij uitstek. Dat is de kracht van Brabant. In Eindhoven is de zogeheten triple O belangrijk: overheid, onderwijs en ondernemingen. Als je die krachten weet te bundelen, ben je goed bezig. Dat doen ze knap en redelijk consequent. Nu de barrière vervaagt, kan het wel eens zo zijn dat de noordvleugel van de Randstad meer verbindingen krijgt met Den Bosch, Tilburg en Eindhoven dan met de zuidvleugel. Dan heb je het natuurlijk wel over essentiële veranderingen. Kijk je breder, dan heb je hier de Vlaamse ruit en daar het Roergebied", wijst De Zeeuw aan.
„Brabant zit er middenin. In het Europese veld is dat geen slechte positie." Dat het economisch hart van Nederland opschuift naar het zuiden illustreert de praktijkhoogleraar met diverse landkaartjes. Eerst de economische groei, dan de ontwikkeling van de werkgelegenheid, vervolgens de vestiging van buitenlandse bedrijven en tot slot de huizenprijzen. Wie de plaatjes over elkaar heen legt, ziet de economische kern van Nederland opdoemen.
„Dat is mijn truc. Je ziet een relatie tussen vastgoedprijzen en de economische betekenis. Het hangt allemaal samen: de vestiging van bedrijven, bevolkingstoename, hogere huizenprijzen. Een kwestie van vraag en aanbod. Zo zie je dat de uiteinden van Nederland meer te maken hebben met krimp, en dus lagere vastgoedprijzen kennen. Kijk maar naar het noorden van het land, Zeeland en grote delen van Limburg. Mensen met een goede opleiding verhuizen naar een plek waar werk is. Uit het zuiden van Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en oosten van Groningen trekken mensen weg. De bevolking vergrijst sterk. Minder scholen zijn nodig, meer verzorgingshuizen. Het kabinet beloofde onlangs dan ook om in september met een ‘totaalaanpak' te komen voor deze krimpgebieden."
Van cruciaal belang voor Brabant is volgens de professor het opleiden en daarna behouden van mensen met een goede opleiding. „Uit dat zichzelf versterkend proces komt veel ondernemerschap voort. Brabantse steden zijn behoorlijk succesvol. Men probeert met woningbouw mensen met een goede opleiding aan de stad te binden. Je ziet Den Bosch met vernieuwende binnenstedelijke concepten en projecten als Haverleij en het Paleiskwartier. Dat doen ze goed."
„Eindhoven daarentegen had de neiging tot door de gemeente gedicteerde stedenbouw. De Vinex-wijk Meerhoven is daarvan een voorbeeld. Til¬burg heeft een heldere visie op het binden van jonge mensen aan de stad met voorzieningen", licht De Zeeuw toe.
„Zoals ze in Den Bosch nadenken over ruimtelijke projecten, samenwerken met marktpartijen en zelf daarbij risico's nemen, gebruik ik vaak als voorbeeld. Tot nu toe hadden ze het economisch tij mee. Daar hebben ze goed op weten in te spelen."
„Het is natuurlijk wat grofstoffelijk en tentatief, maar alles draait om deze kernzone. Is dat een momentopname? Nou, nee. Veel wijst erop dat deze zone robuust is en zichzelf verder kan versterken. Bijvoorbeeld in behouden van bedrijven, door op regionaal niveau samen te werken."
„Maar als echt de kar met appelen langskomt, zoals met de Megamall in Tilburg, vechten gemeenten elkaar de tent uit. Dat kom je overal tegen. Er zijn verschillende stadia van samenwerking. In de receptievariant blijft het bij vrijblijvend overleg met een borrel onder handbereik. In het volgende stadium maakt men harde afspraken, die heet ‘tot en met de pijngrens'. En een volgende fase van samenwerking is samen geld apart leggen voor projecten."
Het is belangrijk over individuele stedelijke belangen heen te kijken. Daarvoor zijn mensen nodig die de kar trekken, zonder arrogant over te komen, voert De Zeeuw aan. „Ten tweede: ben je in staat gemeenschappelijke projecten te benoemen. Een gezamenlijke vijand wil ook helpen. Vroeger was dat Holland, maar daar kan je nu niet meer mee aankomen."
Maak het sterke sterker. ,,In toenemende mate zijn aantrekkelijke woonmilieus ook van betekenis. Hoe bind je de mensen aan je regio? Naast opleidingen gaat het om een aantrekkelijk voorzieningenniveau, goede verbindingen en een aangename woonomgeving. Al die ingrediënten zijn aanwezig. Maar je moet oppassen dat het niet allemaal aan elkaar kliedert. Dat bedrijventerreinen zich aaneenrijgen langs doorgaande wegen'', waarschuwt De Zeeuw.


